De Wet

Een positieve evolutie

Op 12 december 2008 werd door de toenmalige ministers van Onderwijs en Welzijn een protocol afgesloten over de ondersteuning van leerlingen met dyslexie bij middel van aangepaste softwaretoepassingen. Het Departement Onderwijs en Vorming zette daarna het project ‘distributie van gratis dyslexiesoftwarepakketten aan scholen voor gewoon en buitengewoon basisonderwijs en secundair onderwijs’ op. De scholen kunnen een aanvraagdossier indienen waarin ze o.a. motiveren op welke wijze ze de dyslexiesoftware zullen inzetten en integreren in het zorgbeleid van de school.

Op de eerste oproep werd massaal gereageerd door scholen. Dit is een positief signaal. Scholen lijken bereid om extra maatregelen te nemen voor de ondersteuning van leerlingen met leerstoornissen. In het algemeen en ook binnen het onderwijs groeit het bewustzijn daaromtrent.

Maar ook harde cijfers

En toch … een recente online bevraging bij ouders van een leerling met een leerstoornis toont aan dat het compenserend pc-gebruik op school in de praktijk nog lang niet goed zit.

  • 63% van deze leerlingen mag de computer niet gebruiken in de klas;
  • maar 22% mag de computer gebruiken bij alle vakken waar hij/zij er nood aan heeft;
  • 15% mag de pc alleen gebruiken bij sommige vakken of bij sommige leerkrachten;
  • 13% kan z’n computer alleen buiten de klas gebruiken;
  • 6,5% mag de laptop alleen gebruiken bij toetsen en examens.

De resultaten zijn onafhankelijk van het niveau van onderwijs. Ouders moeten vaak meerdere scholen contacteren voor ze er één vinden die hun kind toelaat een computer te gebruiken. Niet alle leerkrachten beseffen en/of aanvaarden dat ze kunnen te maken hebben met een leerling met een hardnekkig probleem op het vlak van lezen, spellen of schrijven. Anderen zijn onzeker en betwijfelen dat een aangepaste benadering van een leerling met een leerstoornis wel te verzoenen is met het gelijkheidsbeginsel.

De letter van de wet

Nochtans zijn verschillende recente juridische kaders heel duidelijk op dit vlak. We kunnen zonder meer stellen dat een aangepaste benadering niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. En wel om drie redenen:

De eindtermen ICT

Het is essentieel dat alle leerlingen mee kunnen in een maatschappij met informatie- en computertechnologie. De eindtermen en ontwikkelingsdoelen ICT stellen in dit verband: ‘Tegen het einde van de leerplicht moeten leerlingen over de basiscompetenties beschikken om met ICT overweg te kunnen. Cruciaal is dat leerlingen leren hoe ze hun leerproces zelf in handen kunnen nemen en over de vaardigheden beschikken om levenslang hun competenties op punt te stellen’.

Het gericht inzetten van ICT heeft een positieve invloed op de leerwinst, de leerhouding en de leerprestaties van alle kinderen of jongeren. Leerlingen met ernstige problemen bij het lezen, spellen en schrijven kunnen via ICT bovendien hun beperkingen compenseren. Ze benutten hun leerpotentieel beter en ze ontwikkelen meer zelfvertrouwen en een positiever zelfbeeld. Reden 1 waarom een laptop in de klas niet zo gek is.

Het VN-Verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap

Op 13 december 2006 werd het VN-Verdrag ondertekend betreffende rechten van personen met een handicap. Zowel België als de parlementen van gemeenschappen en gewesten hebben dit Verdrag geratificeerd. Het is sinds 2 juli 2009 van kracht. Het Verdrag gaat over alle aspecten van het leven van personen met een handicap, met onderwijs als één van de belangrijkste domeinen:

  • Personen met een handicap hebben recht op inclusief onderwijs.
  • Personen met een handicap hebben recht op redelijke aanpassingen in het onderwijs om hen gelijke rechten en kansen te geven.
  • Personen met een handicap mogen niet gediscrimineerd worden.

Belangrijke vernieuwing in dit verdrag: het omschrijft handicap niet als een ‘medisch’ probleem, maar wel als een sociale drempel.Een handicap is een belemmering die een persoon hindert bij het op volwaardige wijze deelnemen aan de maatschappij.

Wat betreft schoolse participatie kunnen we dyslexie of een lees- , spelling- of schrijfstoornis beschouwen als een handicap. Wie eraan lijdt, heeft recht op maatregelen om gelijke kansen te creëren en discriminatie van personen met een handicap tegen te gaan. Dat is reden nummer 2.

Het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid


Iedereen is gelijk voor de (onderwijs)wet. Maar dat wil net niet zeggen dat alles voor elke leerling hetzelfde moet zijn. De wet op de gelijke kansen verbiedt indirecte discriminatie. Een kind met leerstoornissen leert en werkt anders om dezelfde resultaten te kunnen behalen als z’n klasgenootjes. Als zo’n kind de juiste hulpmiddelen niet krijgt of niet mag gebruiken, heeft het geen gelijke kansen en wordt het dus indirect gediscrimineerd.

Op basis van het decreet is het treffen van redelijke maatregelen geen gunst en zelfs geen opportuniteitskeuze: de leerling met een handicap heeft recht op aanpassingen. Het decreet verplicht de school dus, binnen de grenzen van de redelijkheid, aanpassingen te doen zodat ook personen met een handicap van gelijke kansen kunnen genieten. Reden 3!